MOE

Het is niet zo dat ik zonder ideeën zit. Er zijn nog allerlei grote en kleine gebeurtenissen en waarnemingen met u te delen. Bijdragen aan de populariteit van Barcelona. Embedded verslag doen wat er komt kijken bij het kopen van een huis.

Gisteravond haalde ik mijn fiets van het slot. Vervolgens ging ik in mijn zak verwoed op zoek naar mijn fietssleutel. Ik ben even te moe, geloof ik. maar nu ik dit eerlijk bekend heb, verwacht ik spoedig beterschap...

---{}---

INHOUD

Sinds John Kennedy Richard Nixon confronteerde met zijn eigen lelijkheid, zijn verkiezingen verworden tot een populariteitspoll, gericht op een leuk bekkie, een lekker kontje (m/v) en op z’n hoogst een fijne compacte soundbite. Het liefst in de vorm van een woord van waardering en respect voor die amorfe persoonlijkheid die ‘de kiezer’ wordt genoemd.

Ik voelde me dan ook beroofd van de zekerheden in het bestaan, toen het meest gebezigde woord in de verkiezingsstrijd plotseling ‘inhoud’ bleek te zijn. “Jan-Peter, laten we het hebben over de inhoud!” Wouter Bos bouwde er zelfs een hartekreet omheen.

- “Mevrouw, wie was voor u de winnaar in het RTL-debat tussen Balkenende en Bos?”

- “Wouter Bos!”

- “Waarom?”

- “Ja, uhhh, toch de inhoud, he?”

De verslaggever vroeg niet door, wat ik jammer vond. Waarschijnlijk kwam hem dat helemaal niet uit, dacht ik samenzweringstheorieïg. Maar ik had het ook allang niet meer nodig. Ik had helemaal niet aan de zekerheden van het leven hoeven twijfelen. De concentratie op inhoud wás helemaal geen anachronisme, het was de ultieme consequentie van de trend die ik al zolang heb mogen meemaken. Inhoud is de ultieme soundbite geworden. Niets diepe analyse, het gaat er slechts om de oppervlakkige indruk te wekken dat je het over relevante zaken hebt. Inhoud is verworden tot de ultieme leegheid.

Een volgende generatie zal zich na verloop van tijd gaan afzetten tegen Inhoud. Ze zullen betogen dat Inhoud zijn tijd gehad heeft als woord, dat het zo vaak misbruikt is dat het niets zinnigs meer betekent. Ze zullen hun toevlucht nemen tot 'content' om aan te geven, dat zij de analyse niet schuwen. Totdat ook Content ten prooi valt aan dezelfde erosie, omdat taal nu eenmaal slechts kan bestaan bij de gratie van het gebruik. Maar ook de generatie die dát meemaakt, zal dit niet onderkennen en wederom de taal de schuld geven voor het volgens hen onwenselijke gedrag van hun medemensen.

Twee uur geleden had Maartje van Weegen het drie keer in een minuut over “onze betrouwbare eerste peiling”. Ik voorzie al een volgend slachtoffer.

---{}---

WEG

Mensen hebben allerlei redenen om met vakantie te gaan. Lekker lui uitrusten op het strand of aan een zwembad, met of zonder boek, al dan niet bewust in welk land je eigenlijk bent; rustiek wandelend of uitputtend sportief; middels meer of minder uitgebreide dagmarsen en veel ontmoetingen een andere cultuur opsnuiven, dan wel de oude geschiedenislessen indachtig terughalen hoe die ooit is geweest, met behulp van een gids of via heel veel trial and error; nachten doorhalen in juist wel of juist niet trendy gelegenheden om vervolgens het kleine restant daarvan juist wel of juist niet in wisselende samenstelling door te brengen. Of een combinatie van het voorgaande.

Maar dat kun je natuurlijk ook allemaal niet doen. Nabij Carcassonne krijgen we op onze zorgvuldig geselecteerde campinguithoek een buurman: Henk. Het kan ook iets anders zijn geweest, want voorstellen is er niet bij, maar ‘Henk’ lijkt ons bijzonder aannemelijk.

Henk is een eenzame man, die niet al te veel meer lijkt te verwachten van het leven. Hij kijkt je met zo’n angstwekkend droevige slachtofferblik aan, dat je altijd instinctief geneigd bent de conversaties kort te houden. Moeilijk is dat niet, want Henk heeft niet bijzonder veel te melden. En wat er is, bestaat voornamelijk uit mopperen, op zijn vorige verblijfplaats die hem te druk was, op de warmte en op het eten – want dat rare Franse stokbrood vindt hij ook al niets. Meestal treffen we Henk aan, gezeten op een stoeltje voor zijn tent, kijkend in het niets. Iets lezen valt hem al te zwaar. We kunnen hem zo achterlaten en als we uren later terugkeren weer precies zo aantreffen. Eén keer vraagt hij of het zwembad ‘nog wat’ is. Na ons bevestigende antwoord besluit hij van de douche ook wel nat te kunnen worden. De verbazing is groot als hij op een gegeven moment toch even weg is. Later blijkt hij toch maar eens de oude stad te zijn gaan bekijken. Hoe dat was? Nou ja, ging wel. Maar eigenlijk hield hij niet zo van steden.

Een paar dagen later kondigt hij aan de terugreis te aanvaarden. Hij heeft er wel weer genoeg van. Bovendien gaat de terugreis ook nog wel enige tijd in beslag nemen. Meer dan twee á drie uur per dag rijden kan hij niet opbrengen. Hij houdt namelijk niet zo van autorijden.

Henk vertegenwoordigt de laatste en meest cynische reden om met vakantie te gaan: thuis is het altijd nog erger.

---{}---

GROEIMARGE

50 auto-inbraken per week vinden er plaats in Amsterdam, zo lees ik op de flyer die ik vanonder mijn ruitenwisser vis. Of 500, dat weet ik al niet meer. Daar gaat het ook niet om. Wat ik me afvraag is dit: hoeveel groeimarge is er nog? Hoeveel criminelen zien onder de huidige omstandigheden af van autokraakje plegen? Het lijkt me niet zo’n heel lonende bezigheid. Al te vaak blijkt immers na uitvoering van het zware werk dat het bij nadere beschouwing niet werkelijk de moeite van de inspanning waard was. Toch gaat een harde kern onverdroten door, autokrakers zijn de doorzetters van deze maatschappij. 

De politie, dat is de afzender van deze flyer, denkt niet met mij mee. Sterker, ze denkt tegenovergesteld: hoeveel krimpmarge zou er zijn? De door mij gesignaleerde harde kern kan volgens haar nog ernstig ontmoedigd en aldus geminimaliseerd worden. Daarvoor is mijn hulp vereist. Dit is het plan: van mij wordt gevraagd zo duidelijk mogelijk te laten zien dat er zich níets in mijn auto bevindt. Daartoe moet ik voor de begerige inbreker alvast het dashboardkastje opengooien, zodat deze reeds van buiten kan concluderen dat de kraak de moeite niet waard is. Als ik even langs wil komen op het bureau krijg ik ook nog een groot tekstkarton mee met het krachtige statement dat in deze auto écht niets te halen is. Daarvan zullen ze wel helemaal subiet afdruipen. 

Ik word hier niet enthousiast van, en daarbij is het gegeven dat ik een kofferbak heb (moet die ook open?) nog het minst van belang. Ik zie een wereld voor me, waarin de autokraak een nieuwe bloeitijd kan beleven. Moet de harde kern van nu nog regelmatig een teleurstelling wegslikken, in de toekomst wordt hun belevingswereld heel wat overzichtelijker. Genadeloos zullen de bestuurders van lege auto’s die hun gebrek aan bezit op obscene wijze met de wereld delen de uitzonderingen op hun regel in het zonnetje zetten. En stel dat ik meedoe, ik zie mezelf al heftig wakker schrikken uit een mooie dromen: helemaal vergeten het dashboardkastje open te doen! Want elk foutje is in die nieuwe werkelijkheid natuurlijk fataal. 

In de overgangsfase komt de hulp uit nog onverwachter hoek: als ik om mij heen kijk, zie ik dat er selectief in geflyerd: alleen die auto’s waarvan de politie blijkbaar denkt dat er wat te halen valt, zijn met hun boodschap gemarkeerd.

---{}---

GEZOND

Als kind was ik een moeilijk eter. Een klassiek verhaal: ik weigerde groente te eten. Blijkbaar hebben mijn ouders dat destijds zeer effectief bestreden. Inmiddels ben ik zeer braaf in de leer.

Effectief was niet hetzelfde als consequent. Soms doorkruiste het ene belang het andere. Zij hadden zich ook ten doel gesteld hun kroost vertrouwd te maken met het restaurantbezoek. Niets leent zich daar beter voor dan de vakantie en dan in het bijzonder de prettige geprijsde Franse Midi-kaarten. Het lijkt een koninklijke entree, want ten slotte hebben weinig volken meer verstand van smakelijk kwaliteitsvoedsel dan de Fransen. En wie daar toevallig de uitzondering op is, die pretendeert het simpelweg alsnog, wat in veel gevallen net zo effectief is. Dat is ook officieel gecodificeerd. De finale Michelin-ster gaat allang niet meer over de kwaliteit van het voedsel, maar over de pretentie waarmee het geserveerd wordt.

Er zit een addertje onder het gras. Fransen en lekker eten, dat gaat helemaal goed. Fransen en voedingswaarden… dat is een moeilijker verhaal. Voor hen is het simpel. Als het uit de grond komt en desondanks eetbaar blijkt te zijn, dan zal het in hemelsnaam toch ook op z’n minst wel gezond zijn. Dat geldt dus ook voor aardappelen. Dat je die vervolgens in stukken snijdt en in de frituur bereidt, doet daar vanzelfsprekend niets aan af. Terwijl ik mijn moeder naast mij hoorde nasputteren over die manier van doen, keek ik met grote gelukzaligheid naar het mij zojuist opgediende bord, waar de kleur groen geheel ontbrak. Een onverwacht cadeautje.

Zoals gezegd, ondanks of dankzij dit soort onderbrekingen nuttig ik inmiddels mijn dagelijkse groenten als een gedresseerd aapje. Maar ook dat blijkt geen onverdeeld genoegen. Toen ik deze zomer weer eens in Frankrijk was en mij wederom genoeglijk overgaf aan de geneugden van de nationale keuken, bemerkte ik iets anders. Het lijf protesteerde, waar zijn de gezonde groentes! Ten minste, zo interpreteerde ik dat. Om niet te bewerkelijk te doen, ging ik op zoek naar een eigentijdse oplossing: pillen.

Zo kwam ik tot een dieper begrip voor het Franse dédain voor voedingswaarden. Na een klein rondje door de Inter Marché had ik het rek met de voedingssupplementen gevonden. Het was een vol rek. Meteen ging ik op zoek naar de basale A tot Z multivitamine, het meest algemene supplement. Die was er niet. Fransen hebben namelijk concretere argumentatie nodig om tot aankoop van dergelijke producten over te gaan. De aanbieders voorzien erin met een eindeloze reeks nichepillen. Het eerst valt mijn oog op een pak dat belooft dat de gebruiker beter zal kunnen slapen dankzij de kalmerende vitamines, valeriaan en nog wat andere producten uit de kruidentuin. Het tweede doosje stelt de vermoeidheid te bestrijden. Om daar helemaal zeker van te zijn, is, buiten een paar oppeppende vitamines, een flinke stoot cafeïne toegevoegd. De vitamine C als bestrijder van de griep doet in dit veld tamelijk gewoontjes aan. Uiteindelijk kies ik voor een variant die op mij met de belofte ‘remise en forme’ nog de meest algemene -zij het nog steeds niet volledige- indruk maakt. Wel wijst de bijsluiter erop dat ik de ‘kuur’ minstens een week moet volhouden met minstens 3 pillen per dag, anders werkt het natuurlijk niet.

Hoewel ik de strikte voorschriften zo snel mogelijk negeer, trek ik weer bij. Het leidt tot een schrikbarende conclusie: ik ben afhankelijk geworden van verantwoorde voeding. Vanuit het verleden kijkt mijn tienjarige ik mij met diepe minachting aan.

---{}---

REIZEN

Een paar jaar geleden deed een neefje van mijn toenmalige werkgever een vak voor zijn bezigheidstherapie Vrijetijdskunde. Hij moest uitzoeken wat mensen zagen als de absolute droomvakantie. Omdat mijn werkgever zich een goede oom wilde tonen, en ik mezelf een flexibel werknemer, vulde ik nauwgezet zijn enquête in.

Met welk vervoermiddel ga je op droomvakantie, was een van de vragen. Ik koos uit het rijtje voorgedrukte opties voor het vliegtuig. Dat was een halve leugen. Mijn verzwegen premisse was, dat een droomvakantie toch wel zodanig ver weg moest zijn, dat het vervoer slechts doenbaar zou zijn per vliegtuig. Maar eigenlijk vind ik vliegen niets met een droom te maken hebben.

Een maand voor mijn eerste vliegvakantie, vernam ik eens van een vliegtuigongeluk. Ik besloot bij die gelegenheid vliegangst te ontwikkelen. Voorzichtig informeerde ik bij mijn moeder of de tickets voor de vlucht al waren besteld en, vooral, betaald. Dat was het geval. Ik was als 6-jarige al voldoende op de penning om er verder geen punt van te maken en ging gewoon mee. De vluchten verliepen in mijn herinnering probleemloos, al is mij later verteld dat we op de heenweg uren vertraging hadden opgelopen en eindeloos rondjes om het vliegveld van Madrid hebben gemaakt tot eindelijk toestemming werd gegeven om te landen.

Met die vliegangst is het nadien nooit meer wat geworden, maar met de liefde voor de vliegreis ook niet. Eigenlijk vind ik het gewoon saai, wat niet raar is, want efficiency is vaak saai. Ik wil voelen dat ik reis, de verandering van het landschap waarnemen. Hoezeer ik dat prefereer, vond ik een paar weken geleden opnieuw uit, aan het einde van mijn vakantie. ’s Ochtends vroeg vertrok ik vlak boven Carcassonne aan de voet van het Montagne Noir (dat die naam met recht draagt), stak door naar de rondweg van Toulouse (de enige plaats in Frankrijk waar ik snelheidsbeperkingen met het oog op de luchtkwaliteit ben tegengekomen), daarna volgde achtereenvolgens het glooiende landschap in noordelijke richting, waarbij voorafgaand aan elke afslag reclame werd gemaakt voor de toeristische aardigheden (met name drank, eten, kastelen en kathedralen – in die volgorde), het Loiredal (hetzelfde, maar dan kastelen voorop), de als vanouds rommelige drukte rond Parijs, Picardië dat me verwelkomde op haar vruchtbare gronden, vooral als waarschuwing voor de penetrante mestlucht, België met z’n beroerde asfalt en Nederland waar je alleen de stal nog ruikt. Dát is reizen. In het vliegtuig krijg je van die veranderingen niets mee; het is meer een teletijdmachine, maar dan zonder tijdfactor en bovendien veel langzamer.

Ja, de teletijdmachine, díe had het neefje op zijn lijst moeten zetten. Zuiver in het kader van efficiency uiteraard.

---{}---

BANDJE

Het stond me altijd een beetje tegen als ik het zag. Mensen met één, liever nog twéé bandjes om de pols ter herinnering aan, alsmede ten bewijze van, een meerdaags verblijf bij, pak ‘m beet, Lowlands. En als het goede bekenden waren, kon je het proces van duurzame vervuiling, waaraan dit aan de betreffende festivalganger vastgeklonken relikwie ondanks het altijd meedouchen immer was blootgesteld, van nabij meebeleven. Ik werd daar weer aan die afkeer herinnerd toen ik een kleine twee weken geleden mijn eigen pols aanbood voor een dergelijk met staal afgemonteerd omhulsel. Landgraaf was de plaats, Pinkpop de gelegenheid waar ik als debuterend bezoeker mijn onlangs genoten toetreding tot het dertigerschap zou gaan vieren.

Het ding was nog nauwelijks vastgeklonken, of ik voelde me al opgesloten. Instictief wilde ik mij er gelijk van bevrijden, zodat ik nog in alle ernst aan het instinct duidelijk moest maken, dat dát een vrij dure grap zou zijn. Wel beloofde ik mezelf dat ik mij er op maandagavond onmiddellijk van zou bevrijden. Als tussenoplossing gaf ik het dan maar de status van alternatief stressballetje. Niet dat er veel stress was. De concerten waren goed, net als de sfeer, de zon scheen volop en dat dit al zo heftig was dat ik mij ertegen had moeten wapenen om de status als verpersoonlijking van alarmfase 3 te ontlopen, zou ik toch pas later ontdekken. Om niet meer te vergeten, trouwens.

Vervelend bandje en al, het was een goede keus om meteen voor de fulltime experience te gaan. Niet alleen omdat het programma van de eerste twee dagen er al mocht zijn, zo kon ik meteen kennis maken met de twee gezichten van het festival. Jan Smeets, die iedere ochtend even het publiek toesprak als een bezorgde vader, had daar op zondag al een vingerwijzing naar gedaan: “We zijn vandaag met ongeveer 30.000, morgen komt de rest.” De rest, dat waren er nóg 30.000. En inderdaad, die verdubbeling van het aantal maakte de maandag (ooit de enige festivaldag) een stuk massaler, zodat je de dagen daarvoor bezag als ‘toen we nog gewoon onder mekaar waren’. Onder mekaar met wie eigenlijk? Nogal makkelijk, dat zag je duidelijk aan het al of niet aanwezige bandje. Dat was dan stiekem wel weer een aardige gedachte.

En ach, van de weeromstuit ging het nog wel wennen ook, dat bandje. Ik frunnikte er ook niet zoveel meer aan. Die avond kon ik het nog niet over m’n hart verkrijgen er de schaar in te zetten. Dat was te cru. Morgen, hield ik mezelf voor, net als de dag nadien, en die daarna. Kortom, hij zit er nog. Maar niet voor lang, want mórgen knip ik hem af. Ook zelfverloochening heeft een grens. Denk ik nu.

---{}---

STUK

Jarenlang heb ik mij er nog tegen verzet. Streng in de leer zelfs, meerdere verzoeken om toch overstag te gaan krachtig negerend. Uiteindelijk deed mijn vriendin hem maar gewoon cadeau. Kon ik toch moeilijk weigeren.

En inmiddels ben ik hem, en vervolgens zijn opvolger, alweer jaren gewend, reageer zelfs al onwennig en in voorkomende situaties van stuitend eigenbelang zelfs een tikje geïrriteerd als een ander zijn of haar verzet al enkele jaren langer blijkt te hebben volgehouden.

En nou is ie stuk.

Zomaar, vanuit het niets geeft mijn telefoon geen enkele sjoege meer. Een uur eerder werkte alles nog, nu was ineens het hele display uitgevallen. Onomkeerbaar manco. Dat hoort niet, en zeker niet op een regenachtige zaterdagmiddag in Brussel. Een mobiele telefoon hoort geleidelijk aan kuren te krijgen, een meer of minder vitaal knopje dat niet meer reageert of liever nog een batterij die geleidelijk aan alle besef van tijd kwijt raakt zodat je rustig aan het idee kunt wennen: wij kunnen niet met elkaar verder, mijn dementerende telefoon en ik.

Nee hoor, het moest cold turkey.

Ik kan daar slecht mee omgaan. De zelf gecreëerde behoefte doet zich nu wel heel erg voelen. Ik wéét immers dat mensen nu ook op mijn bereikbaarheid rekenen. Maar ik merk weer dat ik dan niet zo’n assertieve consument ben dat ik dit binnen een dag geregeld heb. Materialisme relativeren is een ding, een slechte investering doen heel iets anders. Kantoorbaan op klassieke uren werkt natuurlijk ook niet, dan.

Maar dat is natuurlijk allemaal het ergste niet. Dat is het besef, dat ik mij nog verder heb laten incorporeren door de consumptiemaatschappij waarin ik leef, dat ik het daadwerkelijk vervelend vind om zelfs maar tijdelijk beroofd te zijn van een apparaat waar ik enige jaren geleden nog op neerkeek.

En dat ik nu zelfs overweeg om het laatste restje verzet in de vorm van de prepaid variant op te geven en toe te geven aan een abonnement. Met zo’n leuk gratis toestel erbij, waarmee je ook kunt fotograferen.

---{}---